Onteigeningsrecht

Grondeigendom mag niet bepalend zijn bij structurerende keuzes in de ruimtelijke ordening. Dat brengt met zich mee dat verwerving van gronden en, als dat niet mogelijk blijkt, onteigening noodzakelijk kan zijn om tot de realisering van een project te komen.
Door onteigening kan overheid de verkrijging van de voor de beoogde ontwikkeling benodigde eigendom bewerkstelligen. Onteigening is een vèrstrekkend instrument, vooral voor de eigenaar.

Rechtsbescherming wordt geboden in:

  1. een administratieve procedure waarin de noodzaak van onteigening, de urgentie en het publieke belang dat daarmee wordt gediend wordt bepaald. In deze fase kan het bestuursbesluit (de onteigeningstitel) waarin de te onteigenen zaken worden aangewezen worden getoetst; en
  2. een gerechtelijke procedure die gaat om de onteigening zelf en de schadeloosstelling.

Bij de bepaling van een schadeloosstelling spelen naast de waardebepaling van het onteigende, bij bedrijven de kosten van bedrijfsverplaatsing en gemiste exploitatieopbrengsten.

Van Schie Advocatuur adviseert zowel overheden, bedrijven als ook particulieren bij onteigening en de bijkomende schadeloosstellingen.

DEWI Holding B.V. werd bijgestaan in de procedure tegen de Staat der Nederlanden waar de Staat inzette op onteigening agrarische van gronden ten behoeve van de aanleg van een bos- en recreatiegebied.
De rechtbank te Rotterdam verklaarde in de uitspraak (HA ZA 07-2571) van 2 juli 2008 de Staat niet-ontvankelijk in haar vordering. De Staat dagvaardde in strijd met art.18 Onteigeningswet niet de in het kadaster en in het Koninklijk besluit vermelde eigenaar van de grond, maar de feitelijke eigenaar.

Van Schie Advocatuur staat op de herontwikkelingslocatie aan het Spui/Lamgroen de voormalig grondeigenaar Van der Stigchel bij in de onteigeningsprocedure. De rechtbank te Den Haag bepaalde in een tussenvonnis (HA ZA 07-2-72) van 20 mei 2009 dat de bouwkosten in die procedure opnieuw diende te worden begroot. De rechtbank overwoog:

“Het meest verstrekkende verweer van Van der Stigchel ten aanzien van de kostenbegroting ziet op de onafhankelijkheid van IGG. Gebleken is dat IGG een adviseur van de gemeente is. Ter zitting heeft De Groot, bouwkostenadviseur van IGG, verklaard dat IGG de gemeente regelmatig adviseert. Sprake is van een constante stroom van advieswerkzaamheden voor de afdeling bouwleges. Voor het overige schakelt de gemeente IGG 1 tot 2 keer per jaar in. Naar het oordeel van de rechtbank vormt de bestaande relatie tussen IGG en de gemeente een beperking van de onafhankelijkheid van IGG. Nu het advies van de deskundigen voor wat betreft de taxatie van de bouwkosten voor een belangrijk onderdeel op het advies van IGG is gebaseerd, is daarmee indirect de onpartijdigheid van het deskundigenadvies in het geding. Derhalve dienen de bouwkosten door de deskundigen opnieuw begroot te worden, voorzover nodig met behulp van een onafhankelijke adviseur, uitgaande van het fictieve bouwplan zoals de deskundigen zich dat voorstellen en de overige in het vonnis bepaalde uitgangspunten.”

De definitieve schadeloosstelling is in 2010 door de rechtbank vastgesteld.